Kunst, verfraaiing of… erfgoed?: de verschillende perspectieven op street art

Street art is overal. Wat ooit gold als vandalisme, wordt nu actief ingezet door gemeenten om steden aantrekkelijker te maken. Van Heerlen tot Venlo, van Enschede tot Amsterdam: steden wedijveren om de titel ‘street art hoofdstad’ en lokken toeristen met muurschilderingen als nieuwe attractie. Maar achter deze hype schuilt een complex web van claims, beloften en spanningen. Is street art eigenlijk kunst? Of slechts decoratie van de openbare ruimte? Draagt het bij aan leefbaarheid, of juist aan verloedering? En wanneer roepen mensen op om muurschilderingen te bewaren: wordt street art dan erfgoed? Deze vragen raken aan fundamentele discussies over wie de openbare ruimte mag invullen, wie daarin gehoord wordt, en welke waarden we als samenleving belangrijk vinden. Dit artikel verkent de verschillende perspectieven op street art, met name muurschilderingen, en laat zien waarom een kritische evaluatie van deze kunstvorm zo urgent is.
De belofte(s) van street art
Gezien in de trein: een advertentie om met de trein naar verschillende Nederlandse steden te gaan voor een wandeltocht langs street art, oftewel -in dit geval- muurschilderingen. Gepromoot als een activiteit voor kunstliefhebbers. Muurschilderingen zijn in relatief korte tijd uitgegroeid tot een toeristische attractie en een manier om steden te promoten. In goed Engels noemen we dit city marketing of city branding, waarmee street art een commercieel product wordt. Heerlen noemt zichzelf inmiddels de street art hoofdstad. En even verderop timmert ook Venlo aan deze weg met de ambitie om Venlo van een echte ‘Mural stad’ te maken. Recentelijk stuitte één van de auteurs ook op een pop-up reclame op een website die de lezer (of kijker?) duidelijk maakte dat ook Enschede zich profileert als street art stad. Enschede lokt bezoekers met de belofte van ‘toffe instagrammable spots’.
Street art is een hype die door steeds meer steden wordt omarmd, en dat is niet zonder reden. Dit komt omdat er verschillende positieve aspecten aan street art worden toegedicht. Zebracki et al. (2010) destilleerden vier claims uit de literatuur: fysiek-esthetisch (verfraaiing van plekken), economisch (bijdragen aan cultureel toerisme en het genereren van opdrachten voor kunstenaars), sociaal (bijdragen aan veiligheid en inclusie) en tot slot cultureel-symbolisch (bewustmaking van lokale geschiedenis en identiteit).
In de praktijk blijkt er echter weinig bewijs te zijn voor deze claims en ook weinig animo om naar dat bewijs te zoeken. Hall en Robertson (2001) noemen verschillende verklaringen hiervoor, waaronder een wijdverbreide en onkritische acceptatie van publieke kunst, wishful thinking, twijfels over de relevantie van sociale wetenschappelijke criteria bij het evalueren van publieke kunst, en het in twijfel trekken van de evaluatie van publieke kunst in het algemeen (Hall & Robertson 2001).
Het dominante discours rondom de positieve impact van street art staat een kritische evaluatie in de weg. Maar deze kritische vragen zijn cruciaal, juist omdat street art zich op het grensvlak beweegt van kunst, decoratie van de openbare ruimte, economische waarde en sociale impact. Aan de ene kant zien we op bezoekers gerichte flagship art projecten zoals de grote Anne Frank afbeelding op de façade van een oude loods op de NDSM-werf in Amsterdam Noord. Aan de andere kant stellen community art projecten bewonersparticipatie en leefbaarheid centraal. Een kritische evaluatie vraagt een nadere beschouwing van wat street art nu eigenlijk is: is het kunst? Is het verfraaiing van de openbare ruimte? En als er stemmen opgaan dat het geconserveerd en bewaard moet worden, of als het op de een of andere manier verbonden is aan de locatie, zou het dan ook erfgoed kunnen zijn?
Het esthetische spanningsveld rondom street-art: over smaak valt te twisten
Street art is hot, maar draagt ook een aantal fundamentele dilemma’s of spanningen met zich mee. Want waarom is street art fantastisch en graffiti fout? Een antropologische klassieker schiet me te binnen. Mary Douglas beschrijft rommel als ‘matter out of place’, oftewel materie die zich niet op de goede plek bevindt (Douglas, 1966). Met andere woorden, het kenmerkende aspect van rommel is dat het spullen zijn die niet op de juiste plek liggen, niet dat het rommel is. Hetzelfde lijkt te gelden voor muurschilderingen: muurschilderingen op de juiste plek zijn street art. Muurschilderingen op de verkeerde plek zijn graffiti. Maar wat is een ‘goede plek’? En wie definieert dat? Wie bepaalt wat goed en fout is en bepaalt in welke categorie iets valt?
Kritiek op street art illustreert dit issue goed. Recentelijk haalde een boze bewoner van Breda de krant met zijn protest tegen een nieuwe muurschildering die hij bestempelde als een muurschildering uit een Parijse banlieue. Ook een muurschildering in Roermond zorgde voor commotie, met uitspraken op Facebook als "mooi? Nou ik vind het afschuwelijk! Lijkt of je een of ander Amerikaans ghetto binnenkomt als je daar langs komt of stil staat bij de stoplichten”. Street-art is voor deze personen een teken van verloedering in plaats van verfraaiing en verbroedering.
De perspectieven van bewoners, kunstenaars en publieke partijen zoals overheden en woningbouwcorporaties botsen in hun waardering voor street art als publieke kunstvorm en verfraaiing van de leefomgeving.
Vanuit het perspectief van kunst kan gesteld worden dat kunst zich onttrekt aan dit soort oordelen, omdat het doel van kunst juist is om iets op te roepen bij mensen. Het nieuwsbericht in de krant over de protesten in Roermond meldt dat de kunstenaar niet onder de indruk is van de protesten, want "In een museum vind je ook wat van de kunst die daar hangt.” Het gaat hier echter om de openbare ruimte, de leefruimte van bewoners – niet om een museum waar mensen vrijwillig naartoe gaan. Voor kunstenaars mag hun werk dan schuren, maar niet alle inwoners wensen zich tot hun werk te verhouden als kunst. Voor veel inwoners is verfraaiing van de openbare ruimte voldoende reden om street art te waarderen of juist af te keuren.
Andere protesten komen erop neer dat het geld dat naar public art gaat beter aan urgente problemen kan worden besteed, zoals het oplossen van woningnood. Dit is niet alleen een illustratie van wat burgers vinden van de waarde van kunst, maar ook een illustratie van meer algemene maatschappelijke onvrede, een onvrede die ook op andere plekken wordt gezien (en die bijvoorbeeld onder andere gevoed wordt door street art projecten die vooral gentrificatie in de hand werken (Schacter, 2014)).
De vraag is of en wanneer dit soort protesten serieus genomen moeten worden. Vanuit burgerparticipatieprojecten is bekend dat slechts een beperkte groep mensen hun stem laat horen, of dat nu een proteststem is of een constructief geluid. Maar ook dat veel stemmen niet gehoord worden, omdat mensen zich niet kunnen of durven uitspreken. Protesten kunnen worden afgedaan als eenmansacties of als algemene uiting van maatschappelijke onvrede.
Deze spanningen rondom smaak en waardering roepen de vraag op of street art überhaupt wel als kunst moet worden beschouwd, of dat er andere waarderingskaders nodig zijn. Naast het esthetische debat en de discussie over verfraaiing, opent zich nog een derde perspectief: dat van cultureel erfgoed. Wanneer muurschilderingen historische gebeurtenissen vastleggen, lokale verhalen vertellen of gemeenschappen representeren, verschuift de focus van ‘mooi of lelijk’ naar ‘betekenisvol en bewaarwaardig’. Dit erfgoedperspectief brengt echter zijn eigen dilemma’s met zich mee
Cultureel-symbolische waarde: street art als erfgoed?
Een erfgoed-perspectief biedt een ander perspectief op street art. Hierin kunnen drie dimensies onderscheiden worden:
Allereerst verwordt street art soms zelf tot erfgoed. We willen het bewaren zoals we kunst willen bewaren, of zoals we fraaie en bijzondere culturele expressies van historische betekenis willen behouden (zoals de Moorse tegels met complexe geometrische patronen of -langer geleden- de tekeningen in de grotten van Lascaux). Een voorbeeld van street art dat erkend wordt als cultureel erfgoed vanwege de kunstzinnige waarde zijn de muurschilderingen van Keith Haring in Melbourne.
Hieraan verwant is het bewaren van street art vanwege de historische betekenis. Neem bijvoorbeeld de muurschilderingen op de Berlijnse Muur. Of de muurschilderingen in Noord-Ierland. Ze zijn een aandenken aan een periode, en verbeelden sociale en politieke kwesties. De kunstenaar blijft hier onderbelicht (de website met de virtuele tour in Belfast maakt geen melding van de naam van de kunstenaar).
Tenslotte kan street art een rol spelen in het bewaren van immaterieel erfgoed. Muurschilderingen kunnen immaterieel erfgoed of verdwenen materieel erfgoed verbeelden en daarmee levend houden. Het lokale aspect maakt muurschilderingen betekenisvol. De kijker verhoudt zich niet of niet alleen tot de mural als kunst, maar ook tot de mural als lokaal verhaal. De keuze voor wat er verbeeld wordt, roept echter vragen op. Elke locatie is immers rijk aan verhalen, tradities, en verdwenen fysieke markers. Een selectie is noodzakelijk. Een noodzakelijk criterium voor het opnemen van erfgoed in een muurschildering, of de muurschildering als erfgoed, is in welke mate het een lokale gemeenschap representeert, met aandacht voor inclusie van minderheden. Tevens is het goed om te bedenken dat in de functie van het bewaren en bewaken van erfgoed muurschilderingen naast andere vormen van het bewaren van (immaterieel) cultureel erfgoed bestaan. De ene vorm is niet per se beter dan de andere.
Street art als lokaal erfgoed brengt een nieuw waarderingsvraagstuk met zich mee. Het beschouwen van street art als erfgoed of als drager van erfgoed plaatst het in de context van waardering van erfgoed. Traditioneel bepaalden experts wat erfgoed is en hoe het geconserveerd dient te worden. Met de adoptie van het Faro-verdrag over erfgoed is de insteek dat ook mensen zelf bepalen. Ook hier speelt de vraag wie gehoord wordt. Welke mensen krijgen een stem? Welke mensen nemen het woord? Wat gebeurt er met de ‘silent voices’?
Wie op het internet zoekt naar muurschilderingen als cultural heritage, vindt vooral bejubelende uitspraken. Zo zouden murals de unieke identiteit van communities vieren en het culturele erfgoed van ‘de community’ representeren. Het mag duidelijk zijn dat in de huidige wereld het begrip lokale ‘community’ niet eenduidig te definiëren is. Recentelijk is er vanuit de erfgoedwereld echter meer oog voor de diversiteit, meerstemmigheid, democratisering en controversieel erfgoed. Ook moet rekening gehouden worden met andere erfgoedopvattingen. De erfgoedstatus hangt niet af van permanentie, maar van continue betekenisgeving - zowel door experts als door gemeenschappen zelf.
Conclusie
Street art bevindt zich op een kruispunt van kunst, stedelijke ontwikkeling en erfgoed. De belofte van verfraaiing, toerisme en gemeenschapsvorming blijkt in de praktijk ingewikkelder dan het dominante enthousiaste discours doet vermoeden. De spanning tussen verschillende waarderingskaders - esthetisch, economisch, sociaal en cultureel-symbolisch - maakt duidelijk dat er geen eenduidig antwoord is op de vraag wat street art ‘is’ of ‘zou moeten zijn’.
Juist die veelzijdigheid vraagt om een genuanceerde benadering waarin verschillende perspectieven serieus genomen worden - niet vanuit wishful thinking over positieve effecten, maar vanuit een oprechte bereidheid om kritisch te kijken naar wie street art dient, wie erbij betrokken wordt, en welke verhalen verteld worden in de openbare ruimte die we allemaal delen.
Noot over de auteurs: Esther Peperkamp, Kristel Zegers en Ilja Simons(Breda University Applied Sciences) werken samen aan het door SIA KIEM MV gesubsidieerde project Levende verhalen: co-creatie en representatie in muurschilderingen voor een inclusieve samenleving.
Referenties
- Douglas, Mary. [1966] 2002. Purity and Danger: An Analysis of Concepts of Pollution and Taboo. New York: Routledge Classics.
- Hall, T., & Robertson, I. (2001). Public art and urban regeneration: advocacy, claims and critical debates. Landscape Research, 26(1), 5-26.
- Schacter, R. (2014). The ugly truth: Street art, graffiti and the creative city. Art & the Public Sphere, 3(2), 161-176.
- Zebracki, M., Van Der Vaart, R., & Van Aalst, I. (2010). Deconstructing public artopia: Situating public-art claims within practice. Geoforum, 41(5), 786-795.





























































