Beleid·ArtikelUit Uncover nr. 06 • Jaar 2022

Weg van het paternalisme in het cultuurbeleid

Geef ruimte aan nieuwe makers

De mogelijkheden die mensen krijgen om zich te vermaken of ontplooien in de vrije tijd, zijn niet onbeperkt. Vanuit zorgen om de publieke moraal of handhaving van de orde hebben overheden zich altijd beziggehouden met de manier waarop mensen die tijd invullen. Het ging dan niet alleen om het verbieden van ongewenst gedrag (geluidsoverlast, drugsgebruik, milieuvervuiling), maar ook om het stimuleren van activiteiten die als heilzaam werden gezien. Dat varieerde van het aanleggen van volkstuincomplexen om het contact tussen stadsmens en natuur te herstellen tot het subsidiëren van musea of muziek- en theatergezelschappen om kwalitatief hoogstaand cultureel aanbod tegen een redelijke prijs te kunnen aanbieden. Aanvankelijk was dergelijk beleid vooral gericht op lager opgeleiden, die aldus zouden kunnen profiteren van deze pogingen tot volksverheffing teneinde, in de woorden van Volksuniversiteit-oprichter Steinmetz, te worden opgevoed tot een “beschaafd man en waarachtig staatsburger”. Vrouwen waren niettemin ook welkom en het bevorderen van kunstzinnige of creatieve vorming was een doel dat breed gedragen werd door de overheid.

Koen van Eijck · 28 okt 2022 · 8 min lezen Printen
Weg van het paternalisme in het cultuurbeleid

Koen van Eijck is als hoogleraar culturele leefstijlen verbonden aan de Erasmus School of History, Culture and Communication van de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Het ideaal van volksverheffing via de kunsten doet voor velen sinds de jaren ’60 paternalistisch aan. Het succes van dit soort initiatieven was bovendien zeer beperkt en dankzij de verlengde leerplicht voor iedereen leek het ook steeds minder relevant. In de jaren 60-70 lag de nadruk daarom minder op verheffen en meer op het bevorderen van eenieders welzijn via kunstbeleid, waarin ook de amateurkunstenaar serieus genomen moest worden en er meer ruimte en erkenning kwam voor uiteenlopende culturele voorkeuren (0osterbaan Martinius, 1990). Eind jaren 90, toen staatssecretaris Van der Ploeg eveneens pleitte voor een verbreding van de doelgroepen van het cultuurbeleid, ging het niet meer primair over arbeiders, maar over laag-opgeleiden, jongeren en etnische minderheden. Daartoe moesten het beleid en de kunstwereld wel verleid worden om uit hun comfort-zone te treden door al te elitaire geachte criteria voor subsidiëring (innovatief, grensverleggend, urgent) niet langer als zaligmakend te beschouwen (Blokland 1996). Vraag en aanbod in de kunsten waren behoorlijk uit elkaar gegroeid en aan beide kanten zou via beleid moeten worden geprobeerd om dat gat te dichten, met steeds meer aandacht voor de snel groeiende groep van etnische minderheden.

Democratisation of culture

Pogingen om vraag en aanbod dichter bij elkaar te brengen, kunnen eenvoudig gezegd van boven komen (top-down) of van beneden (bottom-up). De eerste benadering wordt wel omschreven als de democratisation of culture, de tweede als cultural democracy (Hadley, 2021). Democratisation of culture verwijst dan naar pogingen om het gesubsidieerde cultuuraanbod van gevestigde instellingen meer toegankelijk te maken voor iedereen. Dat zou goed zijn voor degenen die nu nog niet tot de bezoekers gerekend kunnen worden en tegelijk het bestaansrecht van die instellingen legitimeren. Het eerdergenoemde paternalisme is hier nog volop aanwezig: laat de overheid en de sector bepalen wat de juiste ‘hoge’ cultuur is en maak die beschikbaar door onder andere educatie, het subsidiëren van gezelschappen of instituten en de geografische spreiding van voorzieningen.

Volksverheffing teneinde te worden opgevoed tot een ‘beschaafd man en waarachtig staatsburger’.

In een multiculturele, of zelfs superdiverse, samenleving is een dergelijke aanpak steeds moeilijker vol te houden. Want wat is de juiste cultuur? Wie bepaalt dat en waarom zou die cultuur goed zijn voor iedereen die ermee in aanraking komt? Wie serieus rekening wil houden met diversiteit, begrijpt dat het aanbod anders tot stand moet komen en dat het publiek een grotere stem moet krijgen in welke vormen van cultuur daarin vertegenwoordigd zouden moeten zijn.

Cultural democracy

Daarmee komen we terecht bij cultural democracy, waarbij het uitgangspunt is dat burgers moeten kunnen deelnemen aan, en zich uitdrukken in, de cultuurvormen die voor henzelf waardevol zijn. Mensen moeten meer zelf culturele initiatieven kunnen ontplooien die aansluiten bij hun smaak en leefwereld, zonder dat nog kan worden uitgegaan van één dominante cultuur. De keuzes die men daarbij maakt worden gerespecteerd en waar mogelijk ondersteund, waardoor mensen meer actieve participanten worden en minder passieve cultuurconsumenten. Vermoedelijk is dit een meer kansrijke route naar een diverser publiek, want tot op heden is de ongelijkheid in deelname nog altijd groot, met lager opgeleiden en mensen met een niet-Westerse achtergrond als categorieën die we weinig terugzien in deelnamecijfers (Wennekers, Van den Broek en Van der Torre, 2019). We kunnen overigens niet uitsluiten dat die ondervertegenwoordiging deels voortkomt uit de focus in veel onderzoeken op Westerse vormen van formele cultuur (zie bijvoorbeeld Van den Broek & Keuzenkamp 2008).

Het onderscheid tussen democratisation of culture en cultural democracy is niet zwart-wit en beide benaderingen kunnen in combinatie voorkomen. Geen van beide is heel gemakkelijk. Bestaande instellingen die hun publiek diverser willen maken, kunnen er bijvoorbeeld voor kiezen om hun programmering te diversificeren of via aanvullende activiteiten een ander publiek aan te spreken. Zo had het Van Abbemuseum projecten over identiteit die zich binnen en buiten het museum afspeelden, richtte hun project Picasso in Palestina zich op samenwerking met Ramallah en met asielzoekers, en wordt naar genderdiversiteit gestreefd via Van Abbe’s Queering the Collection. Andere instellingen combineren hiphop met ballet (i.s.m. Het Nationale Ballet) of maken theatervoorstellingen met racisme en discriminatie als centraal onderwerp (Het Nationale Toneel). We zien hier hoe een aantal gevestigde instellingen het diversiteitsthema oppakken door bepaalde thema’s of voorstellingen op de agenda te zetten of aan vormen van cross-over te doen.

Deze benadering is bepaald geen wondermiddel. Voor velen in de beoogde doelgroep zullen bestaande bezoekdrempels, zoals onbekendheid met de gezelschappen of zalen en de vrees zich daar niet thuis te voelen, groot blijven. Gevestigde instellingen, zoals theaters, zijn vaak best bereid om naast het programma ook hun prijzen en de marketing aan te passen om een diverser publiek van dienst te zijn, maar het blijven plekken die zich structureel buiten het gezichtsveld van veel van dat potentiële publiek bevinden. Dat is niet zo vreemd: zelf heb ik op mijn beurt geen enkel zicht op evenementen die worden aangekondigd op plekken als www.turksagenda.nl, www.vechtsportautoriteit.nl/kalender of het AFAS Circustheater. Ook ben ik blij dat niemand mij dwingt om me daarin te verdiepen, of probeert me naar AFAS te lokken met een cross-over van kerstliedjes van Django Wagner en iets wat ik wel leuk vind, in de hoop dat ik opeens Django ga waarderen. De meeste bezoekdrempels kunnen uiteindelijk worden herleid tot een soortgelijk gebrek aan interesse en/of de vrees zich niet thuis te voelen onder het publiek in instellingen voor cultuur met een al te highbrow imago (Van Eijck & Bisschop Boele, 2018).

Wie bepaalt wat de juiste cultuur is en waarom zou die cultuur goed zijn voor iedereen die ermee in aanraking komt?

Van onderop of van binnenuit bevorderen

De route van onderop, dus cultural democracy, lijkt veelbelovender als het gaat om het aanspreken van een diverser publiek. Daartoe moet er wel ruimte komen voor nieuwe makers, bij voorkeur afkomstig uit de groepen voor wie het aanbod nu nog te weinig relevant is. Die staan vaak te popelen, maar kiezen er ook regelmatig voor om op eigen houtje iets op touw te zetten in plaats van zich te melden bij de veeleisende subsidieloketten. Mede daarom juicht het Fonds Podiumkunsten (2021: 6) het toe dat "steeds meer producerende instellingen, podia en festivals een rol voor zichzelf zien bij het begeleiden van nieuwe makers”. Daarnaast zal het helpen als een aantal van deze initiatieven, in elk geval in eerste instantie, een eigen plek krijgt waar het nieuwe publiek zich thuis voelt. Theater Zuidplein in Rotterdam is zo’n plek waar multiculturele vraag en aanbod elkaar uitstekend weten te vinden en waar de makers van morgen via Lab-Z ondersteund worden om zich professioneel te ontwikkelen. Dat is volgens mij de manier om inclusiviteit van onderop of binnenuit te bevorderen; minder praten over hoe de Westers georiënteerde grote instellingen een multicultureel publiek kunnen aanspreken maar juist een stem geven aan dat publiek en de makers die deze groepen voortbrengen.

Bronnen:

  • Broek, A. van den & S. Keuzenkamp (2008). Het Dagelijks Leven van Allochtone Stedelingen. Den Haag: SCP.
  • Eijck, Koen van & Evert Bisschop Boele (2018). Van de canon en de mug: een inventarisatie van inzichten rondom de culturele niet-bezoeker. Den Haag: Ministerie van OC&W.
  • Fonds Podiumkunsten (2021). Jaarverslag 2020. Utrecht: Fonds Podiumkunsten
  • Hadley, S. (2021). Audience Development and Cultural Policy. Cham: Palgrave Macmillan
  • Oosterbaan Martinius, W. (1990). Schoonheid, Welzijn, Kwaliteit. Kunstbeleid en Verantwoording na 1945. Den Haag: Gary Schwartz/SDU.
  • Wennekers, A., A. van den Broek & A. van der Torre (2019). ‘Vrije tijd’. Pp. 189-221 in De Sociale Staat van Nederland 2019. Den Haag: SCP.
  • www.Lab-Z.nl
Dit artikel is eerder verschenen in Uncover, een uitgave van het domein Leisure & Events van de Breda University of Applied Sciences. Nieuwsgierig naar de andere artikelen uit Uncover? Stuur dan een mailtje naar ton@nrit.nl.
Cover Uncover nr. 06 • Jaar 2022

Artikelen