Grensoverschrijdend gedrag op het voetbalveld
“Ik vond het gewoon grappig eigenlijk”
Inhoud van dit artikel
Gedurende de afgelopen tien jaar hebben de overheid en diverse sportbonden maatregelen getroffen om het sportklimaat voor jongeren sportiever en veiliger te maken. Desondanks is er nog relatief weinig bekend over de context waarbinnen agressief en grensoverschrijdend gedrag ontstaat in de jeugdsport. Dit artikel gaat in op de vraag hoe grensoverschrijdend gedrag tot uiting komt in jongensvoetbal. De dataverzameling voor dit onderzoek vond plaats bij drie Utrechtse voetbalclubs en bestond uit een combinatie van observaties en interviews. De resultaten laten verschillende uitingsvormen van grensoverschrijdend gedrag zien. Hoewel vrijwel alle respondenten het erover eens zijn dat agressie en geweld relatief weinig voorkomen op het voetbalveld, doet grensoverschrijdend gedrag zich veelvuldig voor en wordt het gezien als een normaal onderdeel van voetbal. Dit artikel typeert drie vormen van grensoverschrijdend gedrag: intimiderend gedrag, onkundig of partijdig gedrag, en tenslotte onsportief en regeloverschrijdend gedrag. De bevindingen tonen aan dat de sociale posities die betrokkenen in het veld innemen bepalend zijn voor de manieren waarop zij zich (grensoverschrijdend) gedragen en voor de betekenis die hun gedrag krijgt.
1 Inleiding
Jeugdsport is meer dan gewoon een spel. De overtuiging heerst dat sport en bewegen goed zijn voor de fysieke gezondheid en ontwikkeling van jongeren, en ook de sociale, morele en cognitieve ontwikkeling van jongeren stimuleren. Zowel het ministerie van VWS als ook gemeenten erkennen deze positieve effecten van sport en subsidiëren daarom de georganiseerde jeugdsport.
Sport brengt daarentegen ook negatieve ervaringen met zich mee. Nederland wordt geconfronteerd met onsportiviteit, (seksuele) intimidatie, agressie en geweld in sport. Zo blijkt dat 42% van de sporters in Nederland in 2015 te maken heeft gehad of getuige is geweest van vormen van ongewenst gedrag (zoals verbaal of fysiek geweld, seksuele intimidatie, vernieling, overlast of vandalisme) en dat 94% van de bestuurders van voetbalverenigingen in 2015 te maken heeft gehad met vormen van ongewenst gedrag bij of rondom wedstrijden (Romijn et al. 2015). Bij ongewenst gedrag in de sport wordt vaak gedacht aan vormen van agressie. Agressie in sport is niet uniek voor Nederland, maar wordt wereldwijd als probleem gezien (Calloway 2013; Fields et al. 2010; Young 2012).
Wat is agressie in sport?
Een eenduidige definitie van agressie in sport is moeilijk te geven, dit komt onder andere omdat agressie in sport vele verschijningsvormen, dimensies en interpretaties kent (Spaaij, 2015). Denk daarbij aan de omvang, organisatie, oorzaken, doelen en vormen van agressie. Bepaalde vormen van agressie vallen binnen de regels en wetten van het spel en zijn zelfs wenselijk of vereist voor het behalen van een overwinning, met name in contactsporten. In dit verband kan onderscheid worden gemaakt tussen sociaal en juridisch gesanctioneerde agressie, en agressief gedrag dat de regels overschrijdt (Kerr 2012, 2017).
Onderzoek laat zien dat niet alleen spelgerelateerde ervaringen van invloed zijn op agressie in het veld. Ook de cultuur van een sport of club en de moraliteit van betrokkenen zijn van cruciaal belang voor het verloop van een wedstrijd. Het blijkt bijvoorbeeld dat in sommige sporten meer of heviger vormen van agressie voorkomen dan in andere (Guilbert 2004). Ook blijkt dat bepaalde vormen van agressie zoals homofobie, seksisme en racisme in veel (team)sporten een rol spelen (Kreager 2007). Uit veel onderzoek naar agressie in sport blijkt dat agressie tegen de tegenstander juist wordt aangemoedigd, en dat het tonen van moed, het normaliseren van pijn, het vernederen van leeftijdgenoten die zich niet opofferen voor het team, en/of het innemen van een dominante positie ten opzichte van vrouwen, een normaal onderdeel van de sport zijn (Anderson 2010; Messner 2007; Wellard 2009).
Definities van agressie in sport variëren van een definitie waarin de fysieke en psychische nadelen en/of blessures die aan anderen worden toegebracht centraal staan tot een bredere definitie die verwijst naar ongewenste activiteiten die de sport en het sportplezier bedreigen (Spaaij 2015).
In dit onderzoek willen we uitgaan van deze laatste definitie. Uiteraard kunnen fysieke en psychische nadelen ook onder deze laatste definitie vallen. Echter ook mildere vormen van agressie, zoals het begaan van overtredingen, kunnen hieronder vallen omdat het (veelvuldig) begaan van overtredingen het sportplezier kunnen aantasten. Excessen komen slechts bij uitzondering voor, maar lichtere overtredingen veel vaker en deze kunnen een voedingsbodem vormen voor excessen (zie bijvoorbeeld Duijvestijn et al. 2013).
Terwijl extremere vormen van agressie veelvuldig zijn onderzocht (Fields, Collins & Comstock, 2007; 2010), bestaat er relatief weinig onderzoek naar mildere vormen van agressie die veelvuldig en regelmatig voorkomen en toch een bedreiging vormen voor de sport en/of het sportklimaat. Dergelijke vormen van agressie zijn eerder te definiëren als grensoverschrijdend gedrag.
Vraagstelling
Gedurende de afgelopen tien jaar heeft het ministerie van VWS in samenwerking met NOC*NSF en diverse bonden maatregelen getroffen om het sportklimaat voor jongeren sportiever en veiliger te maken. Zo startte in 2005 het ‘Masterplan Arbitrage’, in 2009 het programma ‘Sportiviteit en Respect’ en in 2012 het programma ‘Naar een Veiliger Sportklimaat’ (zie: www.veiligsportklimaat.nl/). Hoewel deze maatregelen genomen worden om agressie in de amateursport tegen te gaan, is er nog relatief weinig bekend over de context waarbinnen agressie ontstaat. Bijvoorbeeld, waardoor ontstaat grensoverschrijdend gedrag en wie zijn hierbij betrokken? Het gaat immers niet alleen om de spelers die grensoverschrijdend gedrag vertonen. In de georganiseerde jeugdsport spelen ook volwassenen een belangrijke rol. Zo zijn ouders als vrijwilligers vaak nauw betrokken bij de organisatie van jeugdsport. Zij zijn daardoor medeverantwoordelijk voor grensoverschrijdend gedrag in sportverenigingen.
In dit artikel beogen we bij te dragen aan inzicht in de context en aard van grensoverschrijdend gedrag in de georganiseerde jeugdsport. We richten ons daarbij specifiek op het jongensvoetbal; niet alleen omdat jongensvoetbal in de media en in het politieke debat relatief vaak in verband wordt gebracht met grensoverschrijdend gedrag, maar ook omdat voetbal voor veel jongens van groot belang is als vorm van vrijetijdsbeoefening. In 2015 waren 991.578 jongens in de leeftijd van 0-17 jaar lid van een sportvereniging; daarvan is 51% lid van een voetbalvereniging (NOC*NSF 2015). De vraag die centraal staat in dit artikel is: hoe komt grensoverschrijdend gedrag tot uiting in jongensvoetbal?
Dit artikel is als volgt opgebouwd. In de volgende paragraaf bespreken we het conceptueel kader voor dit artikel, gevolgd door een methodologische onderbouwing. Vervolgens presenteren we de belangrijkste resultaten van het onderzoek, waarbij we ingaan op verschillende vormen van grensoverschrijdend gedrag. In de afsluitende paragraaf reflecteren we op de bevindingen van het onderzoek en hoe deze zich verhouden tot het conceptueel kader.
2 Sociale positionering in het veld
In dit artikel beogen we bij te dragen aan inzicht in de aard van grensoverschrijdend gedrag in het jongensvoetbal. Daarbij gaan we onder meer na welke posities betrokkenen bij het jeugdvoetbal innemen, en hoe hier invulling en betekenis aan gegeven wordt. We baseren ons hierbij zowel op theoretische perspectieven van Davies en Harré (1990) over ‘sociale positionering’ als ook op de sociale betekenis van ruimte (o.a. Lefevbre 1991).
De manier waarop Davies en Harré (1990) invulling geven aan het begrip ‘sociale positionering’ is voor ons onderzoek interessant omdat het refereert aan een protocol dat iemand representeert, maar ook aan de manier waarop iemand zichzelf in de context presenteert. Zo kunnen de (inter)acties van scheidsrechters in een voetbalwedstrijd begrepen worden vanuit een geldend ‘protocol’ dat refereert aan de taakomschrijvingen en regels voor scheidsrechters. Tegelijkertijd kunnen de (inter)acties van scheidsrechters ook begrepen worden vanuit de manier waarop scheidsrechters zichzelf zien in de context waarin zij opereren. De manieren waarop mensen zichzelf zien of willen zien, worden voor een belangrijk deel ingegeven door aspecten die in de sociale context een rol spelen. Zo kunnen gender, leeftijd, fysieke verschijning, etniciteit, sociale normen en vaardigheden in verschillende situaties op verschillende manieren een rol spelen. Bijvoorbeeld, een oudere scheidrechter zal zich op het voetbalveld mogelijk vitaler voor proberen te doen dan een oudere scheidsrechter bij een tenniswedstrijd. Contextuele factoren zijn met andere woorden mede bepalend voor hoe iemand zich positioneert en welke betekenis deze positionering heeft binnen die context of situatie. Aangezien mensen actief onderhandelen over hun eigen sociale positie in het veld en ook over die van anderen, kunnen posities alleen begrepen worden in de culturele en institutionele context waarin mensen dingen doen (Kirk en Mac Phail 2003; Tyler en Cohen 2010). Omgekeerd is de institutionele context te zien als een sociale arena, die continu ge(re)produceerd wordt door degenen die in de ruimte participeren of daarin geparticipeerd hebben.
Het innemen van een positie krijgt betekenis doordat iemand op een bepaalde manier gebruik maakt van de sociale of fysieke ruimte die hij/zij betreedt en daar betekenis aan geeft. Wanneer er bijvoorbeeld een hoog hek om een sportterrein staat, is dat van invloed op de manier waarop mensen het terrein betreden en hoe zij de club ervaren, maar tegelijkertijd is er geen eenduidige manier waarop de hekken van invloed zijn op de ervaringen met de club. In die zin is er sprake van een continue wisselwerking tussen materialiteit en subjectiviteit en tussen sociale posities en de omgeving waarin men zich beweegt. De notie van sociale positionering in een bepaalde institutionele context wordt in dit onderzoek gebruikt om grensoverschrijdend gedrag te kunnen duiden en begrijpen.
Protocollen en posities in het voetbal
Volwassenen en jongeren, scheidsrechters, spelers, coaches en ook toeschouwers (familie en kennissen) nemen verschillende posities in in het voetbal (zie ook Austin 2012) en gezamenlijk bepalen zij hoe het spel gespeeld wordt.
Zo bepaalt een scheidsrechter op basis van de regels wat geldt als spel, welk gedrag toelaatbaar is, of wanneer het spel gecorrigeerd of stopgezet dient te worden. Lijnrechters hebben een dienende rol ten opzichte van de scheidsrechter. In het amateurvoetbal leveren de meeste teams een eigen scheids- en lijnrechter.
Een coach heeft als leider van het team de taak om het team zo goed mogelijk te laten functioneren en om individuele spelers tot hun recht te laten komen in het spel. Elk team brengt doorgaans een eigen coach mee, maar vaak hebben zij nog een tweede (hulp)coach bij zich.
De spelers tonen gedurende het spel hun persoonlijke vaardigheden op gebied van techniek, tactiek en samenspel. Zij bewegen zich actief over het veld in reactie op de bal, medespelers, scheidsrechters en omstanders. Toeschouwers zijn er om betrokkenheid te tonen en spelers aan te moedigen. Ze nemen een vrij statische positie in, net buiten de hekken die om het veld zijn geplaatst.
Hoewel het protocol voor de betrokkenen min of meer vastligt, kunnen ze zich binnen de context van het spel op heel verschillende manieren gedragen, waardoor ook het veld op verschillende manieren wordt gebruikt en ervaren. En juist de manieren waarop betrokkenen een positie innemen in het veld, kunnen agressie oproepen maar zij kunnen ook juist agressief gedrag helpen voorkomen. Zo geldt dat aan het spel gerelateerde ervaringen en betekenissen van groot belang zijn voor het ontstaan van agressie en geweld op het sportveld (Spaaij 2014). Wanneer betrokkenen bijvoorbeeld het gevoel hebben dat de scheidsrechter eerlijk en volgens de regels fluit, dan positioneren zij zich anders dan wanneer ze het gevoel hebben dat de scheidsrechter oneerlijk fluit. Een belangrijke drijfveer achter dergelijke processen van sociale positionering in sport is een sterke focus op competitiviteit en winst (Anderson 2010).
3 Methoden van onderzoek
De dataverzameling voor dit deelonderzoek heeft plaatsgevonden in 2015 bij drie Utrechtse voetbalclubs en bestaat uit zowel observaties als interviews . Er is gekozen voor voetbalclubs uit verschillende Utrechtse buurten. Het ledenbestand van de clubs varieert: twee clubs hebben voornamelijk leden uit de sociaal hogere en middenklasse, terwijl de derde vereniging voornamelijk leden uit lagere sociale milieus aantrekt. Twee clubs hebben een etnisch gemengd ledenbestand, terwijl de andere club voornamelijk etnisch wit is.
Voor de observaties en interviews is toestemming verkregen van de voorzitters van betreffende clubs en van de coaches van de elftallen. De spelers zelf en de tegenstanders waren meestal niet op de hoogte van de observaties. Observaties waren gericht op het fysieke gedrag en de interacties en uitspraken van spelers en omstanders tijdens en kort na de wedstrijd. Daarbij werd gelet op reacties van omstanders en spelers, op het spel en meer specifiek werd gelet op reacties op de arbitrage.
De observanten namen steeds een verschillende positie in langs de lijn, waardoor afwisselend meer gefocust kon worden op het spel en de spelers, of juist meer op de omstanders, lijnrechters en coaches.
Observaties vonden plaats op wedstrijddagen (zaterdags) op de club. In het totaal hebben er 25 observaties van wedstrijden plaatsgevonden, waarvan twaalf in de klasse A1 t/m A4, één in de klasse B2, en twaalf in de klasse C1 t/m C4. Er zijn daarnaast 19 interviews gehouden met spelers (6), trainers/coaches (6), scheidsrechters (6), bestuurders (2) en ouders (1).
Voor het analyseren van de data is gebruik gemaakt van het kwalitatieve data-analyseprogramma MAXQDA. Na het uitwerken en herlezen van de observatieverslagen en interviews, hebben de onderzoekers een eerste open codeboom opgesteld (Boeije 2005; Rubin en Rubin 2012) vanuit het perspectief van sociale positionering in het veld (Davies en Harré 1990). Vanuit de analyse van de gekozen codes, zijn we gekomen tot de typering van verschillende (onderstaande) vormen van grensoverschrijdend gedrag, die elk afhankelijk zijn van de sociale positie die betrokkenen in het veld innemen. Op basis hiervan zijn de posities nader uitgewerkt en beschreven.
4 Resultaten
In dit eerste deel van de resultaten gaan we na hoe de geïnterviewden (hierna zullen we spreken over ‘betrokkenen’ als het gaat om scheidsrechters, coaches, spelers en toeschouwers) betekenis geven aan diverse posities en protocollen. Daarna bespreken we hoe zowel de spelers, omstanders als ook de arbitrage vanuit hun positie betrokken zijn bij grensoverschrijdend gedrag.
Alle betrokkenen zijn het erover eens dat ze een gezamenlijke verantwoordelijkheid dragen om het spel goed te laten verlopen. Een respondent zei hierover:
"We moeten met elkaar zorgen dat de wedstrijd goed verloopt. Scheidsrechters en grensrechters, trainers en kinderen. We hebben elkaar nodig.”
Diverse betrokkenen gaven aan dat zij weliswaar nauwelijks ervaring hebben met ‘echte’ agressie, maar ze hebben allemaal veel ervaring met grensoverschrijdend gedrag. Een scheidrechter typeert grensoverschrijdend gedrag als: ‘Alles wat niet toegestaan is in het voetbal’. Er bestaat echter geen eenduidig antwoord op de vraag wat grensoverschrijdend gedrag nu precies is. Een coach:
"Een gele kaart... daar ben je het vaak niet mee eens. Moeilijk te beoordelen, ik sta wel eens langs de lijn, en hoor [in het publiek] dan vaak onenigheid. De ene vindt dat er een gele kaart getrokken had moeten worden, de ander zegt dat het duidelijk rood was.”
Discussies over grensoverschrijdend gedrag gaan vaak over de vraag wanneer iets echt niet meer acceptabel is.
Op basis van de verzamelde gegevens maken we onderscheid tussen drie vormen van grensoverschrijdend gedrag, te weten ‘intimideren’, ‘partijdigheid en onkunde’ en ‘overtredingen en onsportiviteit’. Deze verschillende vormen van grensoverschrijdend gedrag worden grotendeels vanuit een andere rol geïnitieerd en geuit, en spelen zich daardoor op een andere plek op het veld af.
Intimideren
Toeschouwers, coaches en spelers zijn het er doorgaans over eens dat ze zich niet met de arbitrage mogen bemoeien: "Overtredingen zul je altijd hebben in het spel. In de eerste instantie bepaalt de scheidsrechter de grenzen. Dat hebben we eigenlijk maar te accepteren” (trainer). Desalniettemin is het intimideren van de arbitrage vanaf de zijlijn, met name door het publiek en/of de coach, een belangrijke vorm van grensoverschrijdend gedrag. Intimiderend gedrag van toeschouwers of coaches vindt bijvoorbeeld plaats wanneer ze tijdens de wedstrijd het veld inlopen, of wanneer ze op spelers of op de scheidsrechter schelden.
Opvallend is dat diverse scheidsrechters zeggen zelfs meer last te hebben van ouders dan van de jongens in het veld. Scheidsrechter: "… Het gaat om kinderen maar soms zie je die ouders en hun fanatisme... vaak zijn de kinderen er sneller uit dan hun ouders.” De onderstaande observatie illustreert dit:
Een vader roept "He scheids, kom nou eens….” , hij doet een stap naar achteren en buigt zich dan weer over het hek langs het veld. Aan de toon van zijn stem is te horen dat hij ontevreden is over hoe de scheidsrechter fluit. Even later roept hij: "Buitenspel, buitenspel…. Buitenspel ja ja buitenspel ja, ja…” De lijnrechter loopt dicht langs de vader en kijkt hem geërgerd aan. De vader richt zich tot de lijnrechter en zegt nogmaals: "Dit was wel duidelijk buitenspel.” De lijnrechter zegt niets en de vader zet het gesprek met de man naast zich voort. Tijdens het gesprek roept de vader ook aanwijzingen naar de jongens "Kom op Karel, ga door” en "meedoen, meedoen, Simon, meedoen”. Dan richt hij zich weer tot de lijnrechter en roept "Buitenspel” en nog eens nadrukkelijker "Buitenspel”. De lijnrechter fluit voor buitenspel, en maakt een opmerking tegen de vader dat hij zich niet met het besluit van de lijnrechter moet bemoeien. De lijnrechter zegt tegen de vader dat hij de nieuwe regels moet lezen. De vader antwoordt: "Maar we waren het hier toch eens”.
In onze observaties waren er gedurende elke wedstrijd wel toeschouwers die naar de scheidsrechter riepen dat er sprake was van buitenspel. Deze toeschouwers proberen niet alleen om de beslissing van de scheidsrechter te beïnvloeden, maar zij gaan er ook vanuit dat het zinvol is om je als publiek met de arbitrage te bemoeien. Overigens viel op dat de mannen langs de kant van het veld meer aanwijzingen en commentaar op spelers en scheidsrechters geven dan vrouwen.
De hier beschreven situatie laat zien hoe intimiderend gedrag kan plaatsvinden. Aangezien de lijnrechter steeds vlak langs het publiek loopt, is het voor de vader eenvoudig om zich met de beslissingen van de lijnrechter te bemoeien. Nabijheid en/of afstand tot de arbitrage beïnvloeden dus de mate van en de manier waarop grensoverschrijdend gedrag plaatsvindt.
Opvallend is dat juist ouders van de thuisspelende partij proberen de clubscheidsrechter te beïnvloeden. Dit zou volgens een geïnterviewde zijn omdat clubscheidsrechters relatief vaak jonge jongens zijn, en in de ogen van de ouders gemakkelijker te beïnvloeden. Bovendien zijn de toeschouwers van de eigen partij en de scheidsrechter meestal bekenden van elkaar, en dit zou de drempel verlagen om zich met diens beslissingen te bemoeien. Een ouder zei: "Op een scheids van een ander team stap je niet zo makkelijk af.”
Tegelijkertijd hebben toeschouwers de neiging hun eigen grensoverschrijdend gedrag te bagatelliseren. Toen de interviewer bijvoorbeeld aan een ouder vroeg "Vind je dat je als moeder in de positie bent om te reageren op het spel?”, antwoordde ze: "Ah joh, in je emotie roep je wel eens dat het geen buitenspel is. En sommige [toeschouwers] gaan dan de discussie aan, ik hou meestal m’n mond. Je hebt er bij die gewoon echt hele domme dingen zeggen, en gaan provoceren.”
Voor scheids- of lijnrechters is het vaak lastig om adequaat te reageren op intimiderend gedrag van toeschouwers en/of coaches. Een scheidsrechter: "Het gebeurt vaak genoeg dat je als scheidsrechter beledigd wordt. Bijvoorbeeld, dat aan het einde van de wedstrijd geroepen wordt ‘kun je niet klok kijken’. Dat valt binnen de categorie geintjes, maar je hebt ook dat ze roepen ‘mongool kun je niet fluiten’. Die vind ik persoonlijk dik over de rand. Dan overweeg ik of ik er naar toe ga en er iets over zeg. Maar ik realiseer me dan ook dat er eigenlijk alleen nog maar meer aandacht op zo’n opmerking komt te liggen, dus laat ik het vaak zitten.”
Hoewel scheidsrechters over het algemeen de neiging hebben om intimiderend gedrag van toeschouwers of trainers/coaches te negeren, lukt dat niet altijd. "Ik ga nooit naar de ouder zelf. De ouders zijn voor mij gewoon geen onderdeel van het spel.” Als trainers of toeschouwers het veld in lopen voelen scheidsrechters zich echter gedwongen om zich toch met het gedrag van de omstanders te bemoeien.
Partijdigheid en onkunde
‘Partijdigheid en onkunde’ als vorm van grensoverschrijdend gedrag wordt door respondenten hoofdzakelijk toegeschreven aan de arbitrage, meestal op, of direct langs de lijnen van het veld. Hoewel gedrag van de arbitrage over het algemeen niet snel tot grensoverschrijdend gedrag wordt gerekend, is vermeende partijdigheid en onkunde van een scheidsrechter te beschouwen als een vorm van grensoverschrijdend gedrag, omdat het de grenzen van het protocol behorend bij een scheidsrechter overschrijdt en de sport kan bedreigen. Partijdig gedrag gaat meestal om, in de ogen van omstanders, onjuiste beslissingen ten aanzien van de spelregels over het geven van een gele of rode kaart, buitenspel of strafschop. Onkundig gedrag varieert van te weinig ingrijpen tot teveel ingrijpen in de wedstrijd. Dergelijk gedrag van de scheidsrechter leidt gemakkelijk tot emotionele en spanningsvolle situaties.
Een ouder vertelde bijvoorbeeld: "Je verliest niet door de scheids, maar hij kan wel van invloed zijn. Laatst was er een heel vervelende scheids van het andere team, die niet ingreep.” De vader vertelde hoe beide partijen vervolgens steeds harder en fanatieker gingen spelen en hoe de spelers hun grenzen gingen verleggen. Terwijl de spelers elkaar onderuit trapten en tegen de grond gooiden, werden ook de ouders steeds fanatieker en riepen "huppa doorgaan, de beuk erin”. De vader legt de oorzaak van het onverantwoordelijke gedrag van ouders en spelers voornamelijk bij de onkunde van scheidsrechter.
Partijdig of onkundig gedrag van de scheidsrechter is volgens betrokkenen een terugkerende bron van ergernis en vormt voor hen een belangrijke reden om zich met de wedstrijd te bemoeien.
Het zou voornamelijk veroorzaakt worden doordat clubscheidsrechters doorgaans minder goed zijn opgeleid, en soms heel plotseling moeten invallen omdat er geen andere scheidsrechters aanwezig zijn. Een coach: "Als je naar het niveau kijkt… als je het niveau van scheidsrechters kan verhogen, dan denk ik echt dat je heel veel ellende voorkomt.”
Wanneer spelers het idee hebben dat de scheids- of lijnrechter partijdig is, zijn betrokkenen meteen alert en vinden het legitiem zelf ook grensoverschrijdend gedrag te vertonen. Een speler: "Als je een penalty tegen hebt gekregen ... de scheidsrechter hoeft dan nog maar een keer verkeerd te fluiten in iemands ogen en kan gelijk geen goed meer doen. Alle objectiviteit wordt dan meteen over boord gegooid… en daar moet je voor uitkijken.” Meerdere omstanders in de interviews suggereren dat de scheidsrechters soms aanleiding geven voor de agressie die tegen hen wordt geuit. Het niet kunnen controleren van een wedstrijd door een scheidsrechter, is voor omstanders een reden zich met de oordelen van de scheidsrechter gaan bemoeien. De bedoeling daarvan is volgens betrokkenen vaak om het spel te corrigeren, maar doorgaans lukt dat op deze manier niet en neemt het risico op escaleren eerder toe. Een moeder zei bijvoorbeeld: "Kijk, zo’n incident dat zo’n scheidsrechter [Richard Nieuwenhuizen] wordt doodgeslagen… Het is heel erg wat er gebeurd is, maar ik begrijp ook een bepaalde emotie van mensen. Ik praat het niet goed... maar we kunnen eigenlijk nooit een evaluatieformulier over een scheidsrechter invullen...” Ze erkent hiermee weliswaar dat agressie in sport niet legitiem is, maar dat het wel te legitimeren is.
De belangrijkste reden waarom scheidsrechters partijdig zouden fluiten is volgens betrokkenen dat een scheidsrechter, op recreatief niveau, meestal van de eigen club is. Dit wekt bij het publiek, al voordat de scheidsrechter de wedstrijd gaat fluiten de schijn op van partijdigheid. Bovendien zijn beide lijnrechters doorgaans representanten van beide clubs. En van de lijnrechters wordt zelfs een zekere mate van partijdigheid verwacht door de toeschouwers. Zo vertelde een coach:
Coach: "De lijnrechter die haalt een punt voor je binnen. Dat wordt gewoon gezegd in het voetbal.”
Interviewer: "Hoe bedoel je dat?”
Coach: "Als hij slim is, kan hij punten binnenhalen door bijvoorbeeld een keer voor buitenspel te vlaggen. Dat is voetbal.”
Doorgaans leidt partijdig gedrag van de arbitrage ertoe dat het publiek van de bevoordeelde partij zwijgt en dat vooral het publiek van de benadeelde partij boos wordt. Hoewel lijnrechters de scheidsrechter zouden moeten ondersteunen, lijkt dat niet altijd te gebeuren.
Overtredingen en onsportief gedrag
Het overtreden van regels en het vertonen van onsportief gedrag zijn de meest genoemde vormen van grensoverschrijdend gedrag die op het veld plaatsvinden. Het betreft voornamelijk grensoverschrijdend gedrag van spelers en dit gedrag is weer onder te verdelen in ‘normaal’ en ‘zinloos’. Een ‘normale’ overtreding betekent dat er weliswaar een overtreding wordt gemaakt, maar men vindt dit ‘niet echt grensoverschrijdend, maar je zit wel fout’. Zo wordt het krijgen van een gele kaart door vrijwel alle betrokkenen gezien als ‘normaal’ en onderdeel van het spel ‘behorend bij het voetbal’.
Zinloze overtredingen gaan daarentegen volgens velen ‘echt te ver’. Vaak gaat het dan om verbale agressie tegen een speler, scheids-of grensrechter of supporters of met het aannemen van een agressieve houding in de vorm van (dreigen te) slaan, natrappen, of spugen. Een speler: "Als je gaat lopen spugen of slaan of dingen doet die totaal niks met voetbal te maken hebben. Dat doe je gewoon niet. Er wordt wel eens een keer geschopt, en dat valt nog net onder het voetbal, maar spugen gaat echt te ver.”
Doorgaans zijn ‘normale’ overtredingen strategisch van aard en gericht op het winnen van de wedstrijd of op het voorkomen van verlies (Dunning 1983). Een speler vertelde bijvoorbeeld dat hij het gevoel had dat hij een tegenstander kost wat kost moet stoppen om een doelpunt te voorkomen:
Speler: "Je wilt niet dat hij scoort, ze stonden met z’n tweeën tegenover me. Ik zou niet vol op iemands hakken gaan trappen, maar gewoon een licht tikkie, uit balans brengen, dan valt ie wel.”
Interviewer: "En een rode kaart, zou je dat riskeren voor de winst?”
Speler: "Ja als het niet meer lang duurt wel, maar niet als het vroeg in de wedstrijd is. Maar ligt er ook aan hoor, wat voor een overtreding het is. Ik ga niet vol op iemands hakken om doelbewust pijn te doen.
Interviewer: "Maar af en toe een kaart pakken om de wedstrijd te winnen moet kunnen voor jou?”
Speler: "Maar dat zou iedereen doen, dat hoort erbij, bij ons in het team doen ze het wel hoor.
Er gaat gewoon een knop bij je om als je speelt. Als je hem op je af ziet komen en je ziet daar ook iemand komen en je kunt hem niet makkelijk buitenspel zetten. Dan moet je de regels wel overtreden, daar twijfel je niet eens aan.”
Dit voorbeeld laat zien dat het behalen van een rode kaart in bepaalde spelsituaties tot de ‘normale’ overtredingen kan behoren, terwijl het in een andere fase van de wedstrijd eerder een ‘zinloze’ overtreding is.
De speler in het volgende voorbeeld laat zien hoe de focus op winnen bepalend is voor het grensoverschrijdend gedrag dat hij vertoont.
Speler: "Tja, ik ben zelf verdediger, dus kaarten pakken hoort er dan een beetje bij. De rode kaarten die ik heb gehad, waren wel echt rode kaarten. Bijvoorbeeld een doorgebroken speler neertrappen van achter, omdat hij op de goal af gaat en het is de laatste minuut.. Dat is dan gewoon een keuze die je maakt. Zo van, ja.. het is niet anders, dan scoort hij niet […] dat is absoluut grensoverschrijdend, maar toch zou ik het een tweede keer doen.”
Interviewer: "Hoe je het nu beschrijft is het een situatie waarin je de wedstrijd wilt winnen, maar heb je ook wel eens een kaart gepakt terwijl de bal aan de andere kant van het veld was?”
Speler: "Nee, dat nog nooit. Alle kaarten die ik heb gepakt, waren om te voorkomen dat we zouden verliezen. Ik heb wel een keer een rode kaart uitgelokt voor de tegenstander. Vervelend doen, uitlokken totdat hij zo dom is jou een trap of een klap te geven. Ik maak er inderdaad een mentaal spelletje van. Een tikje op de enkel constant, dan iets in zijn oor fluisteren, maak hem maar gek. Ja, bij sommige jongens slaan de stoppen dan door. Wat natuurlijk ook best begrijpelijk is.”
‘Zinloze’ overtredingen maken spelers omdat ze vinden dat ze onjuist behandeld worden, of omdat ze gefrustreerd zijn over een situatie. Dergelijk gedrag is eerder gericht op het kwetsen van een persoon/team. Een speler vertelde bijvoorbeeld dat hij wel eens een trap krijgt van een „lompe harrie, die gewoon doorrent". Hij vertelde dat hij boos werd en de scheidsrechter riep, maar toen de scheidsrechter niet reageerde gaf hij de speler een schouderduw op het moment dat de scheidsrechter niet keek.
Spelers zijn er niet uitsluitend op uit om overtredingen of onsportieve situaties te voorkomen, maar eerder om grensoverschrijdende situaties buiten het oog van de scheidsrechter te laten plaatsvinden en daarmee ondermijnen ze ook de controle van de scheidsrechter. Daar komt bij dat spelers er niet altijd op uit zijn een sportieve en eerlijke wedstrijd te spelen, al vinden zij over het algemeen dat dat wel het doel van de wedstrijd zou moeten zijn. Het voetbalveld lijkt voor sommige jongens een plek waar zij ook grensoverschrijdend gedrag vertonen om elkaar te testen, waar men ‘grappen’ met elkaar uithaalt, elkaar uitscheldt, elkaar trapt en/of elkaar opzettelijk irriteert. Op die manier bepalen ze de onderlinge verhoudingen. Een speler vertelde dat hij het maken van overtredingen soms een ‘grappig’ onderdeel van de wedstrijd vindt: "Ik had een keertje een tijdje geleden was dat ofzo en toen trapte ik een gast onderuit omdat hij mij daarvoor had getrapt. En toen werd hij [tegenstander] helemaal pissed en toen ging ik hem een beetje irriteren, maar dat was meer omdat ik het gewoon grappig vond eigenlijk. En toen op gegeven moment werd hij zo boos, dat hij zonder reden, mij een trap gaf op mijn bovenbeen. En toen trapte hij nog verder. Toen kwamen alle ouders aanrennen en die hielden toen die jongens vast, toen waren er 15 minuten van de wedstrijd verspild. Maar dat gebeurt nog al eens.”
Hoewel jongens zelf diverse keren vertellen het niet zo nauw te nemen met grensoverschrijdend gedrag, zijn de coaches over het algemeen positief over het gedrag van hun spelers. Een coach vertelde bijvoorbeeld dat het bij ‘zijn’ team nauwelijks voorkomt dat ze bewust iemand neerschoppen, of uitschelden. Hij was van mening dat dergelijk grensoverschrijdend gedrag in de hele club weinig voorkomt. "Dat ze echt gemene dingen doen, dat zie je bij deze club echt heel weinig.”
5 Conclusie en discussie
In dit onderzoek stond de vraag centraal: hoe komt grensoverschrijdend gedrag tot uiting in jongensvoetbal? Daarbij is gekeken naar hoe betrokkenen zich positioneren in het veld en naar de vraag waarom ze dat zo doen. De resultaten laten verschillende uitingsvormen van grensoverschrijdend gedrag zien, te weten intimiderend gedrag, onkundig of partijdig gedrag en tenslotte onsportief en regeloverschrijdend gedrag. De resultaten laten zien hoe grensoverschrijdend gedrag georganiseerd en afgebakend is op en om het veld, en tevens dat de posities die betrokkenen in het veld innemen bepalend zijn voor de manieren waarop zij zich (grensoverschrijdend) gedragen (zie ook Tyler en Cohen 2010) en voor de betekenis die zij aan dit gedrag geven. Hieronder gaan we nader in op deze bevindingen en hoe zij zich verhouden tot de theorie.
Hoewel vrijwel iedereen het erover eens is dat agressie en geweld relatief weinig voorkomen op het voetbalveld, komt grensoverschrijdend gedrag veelvuldig voor en wordt het gezien als een normaal onderdeel van jongensvoetbal. Er is, zo blijkt uit het voorgaande, geen eensluidend antwoord te geven op de vraag wat grensoverschrijdend gedrag is. Het overtreden van regels wordt niet per definitie gezien als grensoverschrijdend gedrag en het oordeel hierover kan per persoon verschillen. Bij alle drie vormen van grensoverschrijdend gedrag geldt dat hoewel sommige betrokkenen (spelers, omstanders) zich ervan bewust zijn dat zij de grenzen van wat toelaatbaar is opzoeken, ze doorgaans de neiging hebben hun eigen gedrag te bagatelliseren: het gedrag wordt voorgespiegeld als normaal onderdeel van het spel, terwijl de gevolgen lang niet altijd te overzien zijn en daar ook nauwelijks rekening mee wordt gehouden.
Verder is het opvallend dat ernstigere vormen van grensoverschrijdend gedrag meer geoorloofd zijn naarmate het risico op verlies, of de kansen op winst toenemen, zelfs als daarbij het risico bestaat dat de tegenstander een ernstige blessure oploopt. Het gedrag is dus afhankelijk van de aard van en fase in de wedstrijd. Daar komt bij dat sommige jongens het voetbalveld zien als een plek waar zij door middel van grensoverschrijdend gedrag de onderlinge (mannelijke) verhoudingen kunnen bepalen. Deze bevindingen duiden erop dat de sociale posities die betrokkenen innemen in het veld moeten worden begrepen binnen de culturele en institutionele context waarin zij handelen, namelijk het georganiseerde (jeugd)voetbal. In deze culturele en institutionele context geldt een belangrijke drijfveer voor grensoverschrijdend gedrag, te weten competitiviteit en winst, zowel in directe relatie tot de wedstrijd als in de onderlinge (masculiene) verhoudingen tussen betrokkenen. De bevindingen laten zien dat zowel volwassenen als jongeren in en rond het veld dit soort gedrag vertonen en veelal normaal vinden. De culturele en institutionele context van jongerenvoetbal beïnvloedt de posities die spelers en omstanders (ouders en coaches) innemen en de betekenis die zij hieraan geven, ook wanneer deze posities botsen met de formele protocollen. Zo wordt het gedrag van de arbitrage, ondanks haar formele bevoegdheden, door veel omstanders getypeerd als partijdig of onkundig. Dergelijk vermeend gedrag van de arbitrage heeft doorgaans tot gevolg dat omstanders zich gerechtvaardigd zien zich met de arbitrage te bemoeien. Met als gevolg dat het grensoverschrijdend gedrag van betrokkenen elkaar opvolgt, met het risico dat dit escaleert. Onkundig of partijdig gedrag van de arbitrage zou volgens geïnterviewden veroorzaakt worden omdat clubscheidsrechters onvoldoende zijn opgeleid om een wedstrijd te leiden. Het is echter de vraag of deze veronderstelling juist is: mogelijk is het belangrijkste probleem hoe scheidsrechters moeten manoeuvreren tussen het intimiderend gedrag van omstanders en hun eigen spelinzicht. In elk geval laat dit onderzoek zien dat hoewel van de scheidsrechter verwacht wordt dat hij of zij een neutrale en neutraliserende rol in het veld zou moeten innemen, dit door betrokkenen niet zo wordt ervaren (Groot 2005).
Intimiderend gedrag van omstanders varieert van ‘wel eens wat roepen’ vanuit hun emotionele betrokkenheid bij het spel, tot schelden en ongeoorloofd het veld oplopen. Behalve dat omstanders min of meer spontaan en vanuit hun emotie op een negatieve manier op het spel reageren, gaan zij ook regelmatig strategisch te werk. Opvallend daarbij is dat de fysieke positie die men in de ruimte inneemt ertoe doet. De vaak geringe afstand tussen omstanders en lijnrechters zorgt ervoor dat intimiderend gedrag gemakkelijker kan worden vertoond, soms zonder dat spelers of scheidsrechter dit waarnemen. Hier zien we de wisselwerking tussen materialiteit en subjectiviteit en tussen sociale posities en de fysieke omgeving waarin men zich beweegt, zoals beschreven in het conceptueel kader. De relatie tussen fysieke nabijheid en intimiderend gedrag die we in ons onderzoek hebben waargenomen, lijkt een vergelijkbare rol te spelen in andere vormen van agressie en geweld, bijvoorbeeld door in bepaalde situaties ‘emotioneel overwicht’ mogelijk te maken (Collins 2008).
In dit artikel hebben we laten zien dat het beoordelen van en omgaan met grensoverschrijdend gedrag uitermate gecompliceerd is. Op basis van de resultaten krijgen we enerzijds een beeld van de manieren waarop grensoverschrijdend gedrag georganiseerd is en afhankelijk van de positie die men inneemt in algemene termen getypeerd kan worden. Tegelijkertijd verloopt grensoverschrijdend gedrag informeel en chaotisch. Betrokkenen positioneren zich, en oefenen invloed en macht uit op het spel, naar eigen goeddunken, waarvoor lijkt te gelden dat de gelegenheid of situatie het grensoverschrijdend gedrag bepaalt. Vanwege het feit dat grensoverschrijdend gedrag normaal gevonden en gebagatelliseerd wordt door alle betrokkenen, lijken zowel daders als slachtoffers van grensoverschrijdend gedrag het erover eens te zijn dat grensoverschrijdend gedrag een legitiem onderdeel is van het voetbalspel, waar zij deel van willen uitmaken. Kenmerkend daarvoor is dat het niet zozeer gaat om het tegengaan van grensoverschrijdend gedrag, maar eerder om het afschuiven van verantwoordelijkheid voor grensoverschrijdend gedrag, in sociologische termen wel ‘morele ontkoppeling’ genoemd – een proces waarbij men zichzelf ervan overtuigt dat morele standaarden met betrekking tot het eigen gedrag niet van toepassing zijn in een bepaalde context (Corrion et al. 2009), in dit geval op het voetbalveld. Vrijwel alle betrokkenen zijn van mening dat iedereen verantwoordelijk is voor het goede verloop van een wedstrijd, maar in de praktijk is nauwelijks sprake van zo’n gedeelde verantwoordelijkheid en wordt vrijwel alle verantwoordelijkheid voor grensoverschrijdend gedrag gelegd bij de arbitrage, en met name bij de scheidsrechter. Dit terwijl alle betrokkenen zich in feite schuldig maken aan grensoverschrijdend gedrag.
Literatuurlijst
Anderson, E. (2010) Sport, Theory and Social Problems: A critical Introduction. London: Routledge.
Austin, V.L. (2012) Authority in sport. Studies in Christian Ethics, 2013, 25, 65-72.
Boeije, H. (2005) Het analyseren van kwalitatief onderzoek, denken en doen. Amsterdam: Boom
Calloway, J. (2013) Strategies for dealing with violence in youth sports. Youth First: The Journal of Youth Sports, 7, 3-12.
Collins, R. (2008) Violence: A micro-sociological theory. Princeton, NJ: Princeton University Press.
Corrion, K., K. Long, A.L. Smith & F. d’Arripe-Longueville (2009) "It’s not my fault; It’s not serious”:
Athlete accounts of moral disengagement in competitive sport. The Sport Psychologist, 23, 388-404.
Davies, B. & R. Harré (1990) Positioning: The discursive production of selves. Journal for the Theory of Social Behavior, 20, 43-63.
Duijvestijn, P., B. van Dijk, P. van Egmond, M. de Groot, D. van Sommeren & A. Verwest (2013)
Excessief geweld op en om de voetbalvelden. Praktijkonderzoek naar omvang, ernst en aanpak van ’voetbalgeweld’. Amsterdam: DSP-Groep.
Dunning, E. (1983) Social bonding and violence in sport: A theoretical-empirical analysis. In:
Goldstein, J.H. (Ed.), Sports violence (pp. 129-146). New York: Springer.
Fields, S.K. , C.L.Collins & R.D. Comstock (2010) Violence in youth sports: Hazing, brawling and foul play. British Journal of Sports Medicine, 44, 32-37.
Fields, S.K., C.L. Collins & R.D. Comstock (2007) Conflict on the courts: A review of sports-related violence literature. Trauma, Violence & Abuse, 8, 359-369.
Guilbert, S. (2004) Sport and violence: A typological analysis. International Review for the Sociology of Sport, 39, 45-55.
Groot, L. (2005) Referees among most important players in soccer tournaments. Journal of Sport & Social Issues, 29, 437-442.
Kerr, J.H. (2017) The motivation behind unsanctioned violence in international rugby: A case study of a former elite player. International Journal of Sport and Exercise Psychology, 15, 80-91.
Kerr, J.H. (2012) Violence in rugby. Smashwords (ebook). Verkrijgbaar via http://www.smashwords.com/books/view/257426.
Kirk, D. & A. Mac Phail (2003) Social Positioning and the Construction of a Youth Sports Club International Review for the Sociology of Sport, 38, 23-44.
Kreager, D.A. (2007) Unnecessary roughness? School sport, peer networks, and male adolescent violence. American Sociological Review, 72, 705-724.
Lefebvre, H. (1991) The production of space. Vertaling: Donald Nicholson-Smith. Voor het eerst gepubliceerd, 1974. Oxford: Blackwell.
Messner, M.A. (2007) When bodies are weapons: masculinity and violence in sport. In: Messner, M.A. (ed.), Out of play, critical essays on gender and sport. New York: State University of New York Press, pp. 91-106.
NOC*NSF (2015) Lidmaatschappen NOC*NSF over 2015, Arnhem: NOC*NSF (vindplaats 22 -3-2017: https://www.nocnsf.nl/ledentallen)
Rijnhout, R., I. Giesen, A. van Hoof & M. Van Aken (2016). Agressie van jeugdige voetballers en de rol van het recht: kennis en (on)begrip van de (spel)regels empirisch getoetst. Aansprakelijkheid Verzekering en Schade, 34(5), 171-179.
Rubin, H.J. & I.S. Rubin (2012) Qualitative Interviewing, the art of hearing data. London: Sage.
Romijn, D., J. Van Kalmthout & K. Breedveld (2015) VSK Monitor 2015. Utrecht: Mulier Instituut.
Spaaij, R. (2014) Sports crowd violence: An interdisciplinary syntheses. Aggression and Violent Behavior, 19, 146-155.
Spaaij, R. (2015) Sport and Violence. In: Giulianotti, R. (ed.) Routledge Handbook of Sociology of Sport. London: Routledge, pp. 324-334.
Tylor, M. & L. Cohen (2010) Spaces that matter: Gender perfomativity and organizational space. Organization Studies 31, 175-198.
Wellard, I. (2009) Sport, masculinities and the body. New York: Routledge.
Young, K. (2012) Sport, violence and society. New York: Routledge.
De auteurs
Dr. Inge Claringbould , Universitair Hoofddocent Universiteit Utrecht, Faculteit Recht, Economie, Bestuurs- en Organisatiewetenschap, Departement Bestuurs- en Organisatiewetenschap, Bijlhouwerstraat 6, 3511ZC Utrecht
i.e.c.claringbould@uu.nl
Prof. dr. Ramón Spaaij, Hoogleraar Victoria University (Australië), Institute of Sport, Exercise and Active Living (ISEAL), Bijzonder hoogleraar Universiteit van Amsterdam Afdeling Sociologie
Dr. Jeroen Vermeulen, Universitair Hoofddocent, Universiteit Utrecht, Faculteit Recht, Economie, Bestuurs- en Organisatiewetenschap, Departement Bestuurs- en Organisatiewetenschap
