Provincies bundelen krachten voor toekomstbestendig recreatie- en toerismebeleid
IPO komt met Position Paper Recreatie en Toerisme

"We moeten recreatie en toerisme niet langer als bijzaak beschouwen, maar als integraal onderdeel van ruimtelijke en maatschappelijke opgaven.” Met die boodschap presenteren de twaalf provincies hun gezamenlijke position paper over recreatie en toerisme. In gesprek met Nicole Morskate (Interprovinciaal Overleg), Jeroen Rokven (provincie Noord-Brabant) en Joris Pieter Neuteboom (provincie Noord-Holland) wordt duidelijk hoe urgent en breed gedragen het Position Paper Recreatie en Toerisme van het Interprovinciaal Overleg (IPO) is. Bij IPO is de vrijetijdseconomie binnen het thema ‘Regionale Economie en Cultuur’ één van de beleidsopgaven.
Tekst: Ton Vermeulen – Foto: ANP/Frans-Lemmens
Van versnippering naar gezamenlijke koers
De aanleiding voor het position paper is helder: de druk op de ruimte neemt toe, maatschappelijke transities vragen om integrale oplossingen, en de recreatieve sector staat op een kruispunt. "We zagen dat we allemaal tegen dezelfde knelpunten aanliepen,” zegt Jeroen Rokven, beleidsmedewerker Vrijetijd van de provincie Noord-Brabant. "Dan is het logisch om de krachten te bundelen.”
Nicole Morskate, beleidsadviseur vrijetijdseconomie bij het IPO, benadrukt dat het niet alleen om inhoudelijke afstemming gaat, maar ook om bestuurlijke en ambtelijke samenwerking. "Het IPO fungeert als schakel tussen provincies en het Rijk. Door gezamenlijk op te trekken, kunnen we effectiever onze beleidsagenda naar voren brengen.”
Recreatie als publieke voorziening
De position paper stelt dat toegang tot recreatie geen luxe is, maar een publieke voorziening die bijdraagt aan brede welvaart. "Recreatie is een grondrecht,” stelt Joris Pieter Neuteboom, beleidsadviseur toerisme en recreatie bij de provincie Noord-Holland. "Het draagt bij aan gezondheid, welzijn, sociale cohesie en economische vitaliteit. Dat vraagt om structurele inbedding in ruimtelijke plannen.” Omdat voor toeristen gemeentegrenzen niet bestaan, is het daarmee volgens Neuteboom automatisch een domein waar provincies van toegevoegde waarde kunnen zijn. "Uiteraard in combinatie met onze partners waar de gemeenten een belangrijke rol spelen. Een rol die vanwege de druk op de ruimte in Nederland alleen maar meer aandacht vraagt.”
De provincies pleiten daarom voor het integraal meenemen van recreatie in gebiedsontwikkelingen, woningbouwopgaven en natuurbeleid. "We willen dat Nederland een plek is en blijft waar het prettig wonen is en daarom moeten we er voor zorgen dat in al die ruimtelijke vraagstukken toerisme en recreatie een goede plek krijgt. We willen niet achteraf repareren, maar aan de voorkant meedenken,” aldus Neuteboom die toevoegt dat de beleidsadviseurs vrijetijdseconomie binnen de provincies daarin steeds meer hun rol pakken. "Dat we in de toekomst niet alleen voldoende recreatieruimte voor de burgers hebben maar ook recreatieondernemers voldoende ruimte kunnen geven.” Belangrijke speerpunten waar de provincies in het verleden al voorrang op gaven zijn routestructuren. Neuteboom: "Dat is eigenlijk de basis van het naar buiten gaan. Maar ook Vitale Vakantieparken zijn voor veel provincies een belangrijk dossier voor een voldoende en kwalitatief aanbod in de verblijfsrecreatie.” Rokven vult aan:
"Elke provincie loopt tegen vergelijkbare uitdagingen aan. In plaats van afzonderlijk naar oplossingen te zoeken, bundelen we onze expertise en werken we samen. Zo hebben regio’s als de Gelderse Veluwe, de Brabantse Loonse en Drunense Duinen en de Zeeuwse kust- en eilandgebieden al waardevolle ervaring opgedaan met het zichtbaar maken en spreiden van bezoekersstromen. Door aan deze opgaven samen te werken en kennis te delen, hoeven we het wiel niet opnieuw uit te vinden.”
Vijf hoofdopgaven als fundament
De gezamenlijke inzet van de provincies richt zich op vijf hoofdopgaven:
- Meer recreatieruimte: door integratie in gebiedsontwikkelingen en landelijke programma’s.
- Economische vitaliteit: toerisme als motor voor regionale ontwikkeling en leefbaarheid.
- Duurzame mobiliteit: stimuleren van OV, fietsgebruik en ‘last mile’-oplossingen.
- Culturele identiteit: benutten van erfgoed en streekgebonden aanbod.
- Beweegvriendelijke omgeving: bijdragen aan gezondheid en welzijn via ruimtelijke inrichting.
Dat de twaalf provincies een heel verschillend karakter hebben is geen probleem. Rokven: "Elke provincie heeft zijn eigen dynamiek maar dit zijn de vijf thema’s waar we elkaar op kunnen vinden. De opgaven zijn groot en verschillend, maar op veel vlakken ook weer hetzelfde. We zien echt wel een common ground waarop we elkaar vinden en het van toegevoegde waarde is om samen op te trekken.”
"Deze thema’s zijn gekozen omdat ze raken aan de grote transities van deze tijd,” zegt Morskate. "Ze bieden bovendien aanknopingspunten voor samenwerking met andere beleidsdomeinen.” Voor de provincies gaat het vooral om de toegevoegde waarde die toerisme en recreatie kunnen bieden aan leefbaarheid, brede welvaart, gezondheid, cultuur en economie. Neuteboom: "Toerisme en recreatie kunnen bijdragen aan het behouden van cultureel erfgoed en het versterken van identiteit. We willen ook onze verantwoordelijkheid pakken op duurzaamheid en inzetten op het stimuleren van duurzame recreatiemobiliteit.”
In het position paper klinkt heel erg de ambitie uit Perspectief 2030 door waarin wordt ingezet op toerisme als middel voor brede welvaart van alle Nederlanders. Rokven: "Het gaat heel erg om werken aan lokale opgaven en hoe recreatie en toerisme daaraan kunnen bijdragen. Zodat ook de lokale inwoners van toerisme en recreatie profiteren. Dat wordt steeds meer vanzelfsprekend.”
Van ambitie naar actie
De position paper blijft niet bij ambities. Er zijn concrete actiepunten benoemd, zoals het ontwikkelen van een realisatiestrategie voor recreatief groen, het versterken van de Landelijke Data Alliantie, en het stimuleren van agrotoerisme en vitale vakantieparken. "We bouwen voort op bestaande initiatieven,” zegt Rokven. "Maar we brengen nu focus aan en zorgen voor bestuurlijke verankering.”
Neuteboom benadrukt dat de uitvoering vooral decentraal plaatsvindt. "De position paper is geen blauwdruk. Elke provincie maakt de vertaalslag naar de eigen provinciale en regionale context. We moeten vooral regionaal willen initiëren en inspireren. Maar we spreken wel dezelfde taal en trekken samen op richting het Rijk. Want sommige dingen kunnen we beter op nationaal niveau met elkaar regelen zoals nationale routestructuren. Je wilt niet dat de bebording of kwaliteit ineens heel anders is als je de provinciegrens oversteekt.”
Verwachtingen van partners
De provincies verwachten ook iets van hun partners. "We hebben het Rijk nodig voor financiering, beleidsruimte en interdepartementale afstemming,” zegt Morskate. "Maar ook gemeenten, DMO’s, ondernemers en maatschappelijke organisaties zijn cruciaal.” Neuteboom: "We willen dat zij weten waar wij voor staan. Zodat we samen kunnen werken aan een toekomstbestendige sector. De position paper is ook een uitnodiging tot dialoog.”
De provincies hopen door gezamenlijk op te trekken dat toerisme en recreatie ook meer tussen de oren komt bij beleidsmakers op nationaal niveau. Neuteboom: "We willen dat recreatie in de haarvaten zit van alle rijksprogramma’s. Als recreatie daar niet goed is belegd, moeten we aan de achterkant als provincies vaak veel repareren. Als recreatie bijvoorbeeld wel integraal onderdeel is van natuurontwikkeling, maak jewerk met werk. Dan krijgt recreatie de aandacht die het verdient.”
Samenhang met landelijk beleid
De position paper sluit aan bij landelijke kaders zoals Perspectief 2030 en de recent opgerichte Landelijke Raad voor Recreatie en Toerisme. "We hebben bewust ons eigen tempo gekozen,” zegt Neuteboom. "We wilden eerst gezamenlijk bepalen waar wij als provincies voor staan. Nu kunnen we gericht input leveren aan de landelijke agenda. Provincies hebben het plan van aanpak routenetwerken inmiddels ingebracht in de landelijke raad.” Ook voor lokale bestuurders is het belangrijk dat zij weten waar provincies voor aan de lat staan. Neuteboom: "Gemeenten staan uiteindelijk met de DMO’s en ondernemers voor de daadwerkelijke uitvoering.”
Wanneer is het geslaagd?
Op de vraag wanneer het traject geslaagd is, zijn de drie gesprekspartners eensgezind. "Als we elkaar blijven vinden, als we blijven afstemmen en als we daadwerkelijk impact maken,” zegt Morskate. Rokven vult aan:
"Dat we dit met twaalf provincies hebben opgesteld, is al een succes op zich — juist omdat toerisme en recreatie geen concrete wettelijke taak is en niet is belegd bij één ministerie. Het getuigt van gezamenlijke ambitie en urgentie dat we hier onze schouders onder zetten.”
Neuteboom besluit: "Recreatie en toerisme is een sector die serieus genomen moeten worden. Dan moeten we onszelf ook serieus nemen. Dit document helpt ons als provincies om daarin een belangrijke rol te pakken.”





























































