Jongeren minder, ouderen juist gelukkiger
Hoe hebben geluk en tevredenheid van de Nederlandse bevolking zich tussen 1997 en 2018 ontwikkeld?
Inhoud van dit artikel
Jongeren zijn tussen 1997 en 2018 minder gelukkig geworden. Ouderen juist gelukkiger. In 2018 was 86 procent van de Nederlandse bevolking naar eigen zeggen tevreden met het leven. Dat is iets hoger dan in 1997 toen 84 procent tevreden was. Het verschil in welzijn tussen laag- en hoogopgeleiden is de afgelopen twintig jaar groter geworden, terwijl het verschil tussen mensen met een Nederlandse en met een niet-westerse achtergrond juist kleiner werd. Dat blijkt uit onderzoek van het CBS naar geluk en tevredenheid.
Het CBS meet het subjectief welzijn van de Nederlandse bevolking vanaf 2012 in het onderzoek Sociale samenhang & Welzijn (S&W) onder andere middels een vraag over geluk en een vraag over de tevredenheid met het leven. Subjectief welzijn omvat volgens de theorie drie aspecten en is te beschrijven vanuit een cognitief, affectief en eudemonisch perspectief (OECD, 2013). De cognitieve component van welzijn betreft een afweging tussen goede en slechte kanten van het leven en wordt gemeten door de tevredenheid met het leven (Diener, Oishi en Lucas, 2009). De affectieve component betreft het ervaren van positieve en negatieve emoties en gaat bijvoorbeeld om gevoelens van geluk (Diener et al., 2009). Tevredenheid en geluk houden tussen 1997 en 2018 gelijke tred en volgen al 21 jaar een vergelijkbaar, vrijwel stabiel patroon.
Geluk
Met betrekking tot het geluksgevoel valt bij de leeftijdsgroepen vooral de groep jong volwassenen op. Zij geven in 2018 minder vaak aan gelukkig te zijn: in 1997 zei 91 procent van de 18- tot 25-jarigen gelukkig te zijn, in 2018 was dit 86 procent. Mensen in de leeftijd van 55 tot 65 jaar daarentegen zijn in deze periode juist vaker gelukkig; dit aandeel steeg van 84 naar 89 procent.
Mannen en vrouwen verschillen weinig van elkaar op het gebied van subjectief welzijn: ze zijn gemiddeld genomen even vaak gelukkig en ook qua tevredenheid met het leven verschillen zij in 2018 niet van elkaar. Twintig jaar geleden was het aandeel tevredenen nog iets hoger onder vrouwen. Mannen zijn in de loop der jaren echter wat tevredener geworden, waardoor er anno 2018 geen verschil in welzijn meer bestaat tussen mannen en vrouwen.

Tevreden
In 2018 was 86 procent van de volwassenen in Nederland naar eigen zeggen tevreden met het leven. Dat is iets hoger dan in 1997, toen 84 procent zich tevreden toonde. Het percentage volwassenen dat tevreden is met het leven, is de afgelopen 21 jaar het sterkst gestegen onder 25- tot 35-jarigen: van 79 naar 85 procent. In 1997 was het aandeel tevredenen onder hen nog het laagst van alle leeftijdsgroepen, in 2018 is er geen verschil meer met de andere leeftijdsgroepen. Ook onder 35- tot 45-jarigen en onder 65- tot 75-jarigen is de ervaren tevredenheid licht toegenomen ten opzichte van 1997.
Hoogopgeleiden zijn vaker tevreden met het leven dan laagopgeleiden. In 2018 gaf 89 procent van de hoogopgeleiden aan tevreden te zijn, terwijl dat aandeel onder laagopgeleiden op 81 procent lag. Middelbaar opgeleiden zaten daar met 86 procent tussenin.

Mensen met een niet-westerse migratieachtergrond zijn naar eigen zeggen minder vaak tevreden met het leven dan mensen met een Nederlandse of westerse achtergrond. In 2018 zei 79 procent van de niet-westersen tevreden te zijn, tegen 87 procent van degenen met een Nederlandse achtergrond; een verschil van 8 procentpunten. Dit verschil is beduidend kleiner geworden in de afgelopen twintig jaar: in 1997 bedroeg het nog23 procentpunten.